B – Afval van de lading

Verzameling, afgifte en inname van afval van de lading

 

Informatieblad: Omgang met afval van de lading (2019)

pdf_frpdf_depdf_nl

 

Informatieblad: Voorkoming van scheepsbedrijfsafval door het gebruik van eenheidstransporten / verenigbare transporten / speciale scheepstypes (2019)

pdf_frpdf_depdf_nl

 

Resultaten van de enquête over de uitvoering van Deel B van het CDNI

De resultaten van de enquête over de uitvoering van Deel B van het CDNI zijn beschikbaar. Deze enquête heeft plaatsgevonden tussen 20 september 2015 en 5 januari 2016 en heeft veel schippers en ontvangstinrichtingen weten te mobiliseren. De verdragsluitende staten van het CDNI en het secretariaat hebben de antwoorden aan een nauwgezette analyse onderworpen. Het verslag geeft zowel een samenvatting van de belangrijkste bevindingen als een overzicht van de (lopende of geplande) acties en de gedetailleerde resultaten van de enquête.

pdf_frpdf_depdf_nl

 

Deel B van het Toepassingsreglement regelt de omgang met de resten en afvalstoffen die uit het vervoer van lading resulteren. De lading is een grote bron van mogelijke afvalstoffen. Het grootste deel van het vervoer over water betreft vaste of vloeibare lading die als bulklading wordt vervoerd. De binnenvaart vervoert per jaar meer dan 300 mln ton van zulke lading in schepen die in veel gevallen verschillende ladingsoorten na elkaar vervoeren. Bij iedere ladingwisseling is het noodzakelijk het ruim of de tanks van de resten van de vorige vervoerde lading te ontdoen om contaminatie van de nieuwe lading te voorkomen. Niet iedere ladingsoort is in gelijke mate gevoelig voor hieruit mogelijk resulterende verontreinigingen. Niet iedere ladingsoort heeft ook dezelfde potentiele uitwerking op het milieu als er sporen van in het oppervlaktewater zouden komen.

Het verwerken van ladingafval is een kostbare aangelegenheid. Bijzondere factor daarbij is het gebruik van waswater als medium om de resten uit de ruimen en de tanks te verwijderen. Sommige stoffen lossen op in dat water en maken de verwerking daarmee extra kostbaar. Daarom is de eerste doelstelling van de regeling in het verdrag het ontstaan van ladingrestanten, dat wil zeggen van lading die als afval verwijderd en verwerkt moet worden, zo veel mogelijk tegen te gaan. Dat doel kan bereikt worden door het lossen van de lading te optimaliseren. De vaak geringe waarde van de vervoerde (bulk)lading maakt juist het lossen van die laatste resten een duur onderdeel van het proces, want tijdrovend en arbeidsintensief. Maar het in de daarvoor bestaande kanalen afvoeren van het afval van de lading is dat ook. Aldus is een basis gevonden om binnen de logistieke keten van het betreffende vervoer een regeling tot stand te brengen die de verantwoordelijken tot een duurzame werkwijze aanzetten.

 

Die regeling is erop gericht dat de lasten van de ‘vervuiling’ en daarmee van de kosten om die te vermijden, gedragen worden door de meest gerede partij in de keten. Het Verdrag gaat uit van de opdrachtgever van het vervoer. Deze is het immers die over de kennis en de middelen beschikt om het losproces te optimaliseren, om de eventuele restanten van de lading na recycling weer voor hergebruik geschikt te maken, en omdat deze -via de prijsvorming met betrekking tot het vervoer- de kosten van een eventuele verwerking zou moeten dragen. Het principe is dat het schip in een zodanige toestand ter beschikking wordt gesteld, dat een ‘onbelemmerd’ vervoer kan worden verricht. En dat dit schip na het vervoer verricht te hebben, weer in eenzelfde situatie wordt terug gebracht. In dat proces heeft ook de ladingontvanger een belangrijke plaats. In het bijzonder deze heeft de zorg voor een optimale lossing en van de verwijdering van de ladingrestanten.

 

Het lossen richt zich naar de losstandaarden die in het Verdrag zijn vastgelegd. Afhankelijk van de karakteristiek van de ladingsoort en de gevoeligheid voor vervuiling van het milieu of voor contaminatie van andere ladingen, is een meer of minder vergaande procedure voorgeschreven. Ladingresten en ladingrestanten dienen door de ladingontvanger in ontvangst genomen te worden. Voor de tankschepen voorziet het verdrag in de verplichte benutting van een nalenssysteem, waarmee de lossing van de vloeibare lading met de pompinstallatie van het schip kan worden geoptimaliseerd.

De correcte uitvoering van de procedure wordt gedocumenteerd in een losverklaring waarmee een uitgevoerd transport wordt afgesloten en dat aan boord voor toezichthoudende autoriteiten beschikbaar moet worden gehouden voor verificatie. Deze losverklaring moet door de ladingontvanger aan het schip worden afgegeven en vermeldt ook de bestemming van eventuele restanten indien deze elders dan bij de ladingontvanger zullen worden afgegeven.

Nationale instellingen contact voor Deel B vragen : Pointofcontact_partB

teil_b_2teil_b_1

Vous êtes ici