A – Olie- en vethoudend afval

VERZAMELING, AFGIFTE EN INNAME VAN OLIE- EN VETHOUDEND SCHEEPSBEDRIJFSAFVAL

 

In Deel A van de Uitvoeringsregeling wordt de omgang met olie- en vethoudende afvalstoffen geregeld die uit het scheepsbedrijf voortkomen. Het betreft in het bijzonder het afval dat in de machinekamer van de schepen ontstaat: afgewerkte olie, bilgewater, vetten, poetslappen, gebruikte filters, etc. Dit afval is naar de aard in principe voor alle schepen van de binnenvloot gelijk. Het ontstaat in functie van de inzet van de schepen: wordt er veel gevaren ontstaat er meer afval dan wanneer er minder of weinig gevaren wordt. De hoeveelheid afvalstoffen die ontstaat is ook van de technische uitrusting en de staat van de machinekamerinstallatie afhankelijk. De frequentie waarmee een binnenschip deze afvalstoffen afgeeft varieert daarom, maar alle schepen moeten zich onvermijdelijk enkele keren per jaar van deze stoffen ontdoen.

 

De organisatie van de inzameling is in handen van of wordt begeleid door een nationaal instituut. Per land wordt een zodanig netwerk van inzamelstations tot stand gebracht dat de scheepvaart zo goed mogelijk kan worden bediend. In de meeste gevallen worden bilgeboten ingezet, die tijdens de vaart langszij komen. Er bestaan ook enkele vaste stations. Langs de druk bevaren vaarwegen is dit netwerk dichter dan in de afgelegen gebieden met weinig scheepvaart. In bepaalde gevallen kan een afgifte op afroep plaatsvinden door een niet specifiek voor de binnenvaart ingericht inzamelstation, dat bijvoorbeeld van een vrachtauto gebruik kan maken. Hiervoor dient het betreffende nationale instituut geraadpleegd te worden.

 

De afgifte vindt plaats op grond van enkele spelregels. Niet alle bilgewater of afgewerkte olie en niet iedere hoeveelheid kan worden afgegeven. De hoofdregel is dat het moet gaan om stoffen uit de “normale bedrijfsvoering”. Dit betekent dat bijvoorbeeld hoeveelheden die ontstaan zijn als gevolg van averij niet zondermeer kunnen worden geaccepteerd. Ook afvalstoffen die vermengd zijn met chemicaliën komen niet in aanmerking voor “gratis” afgifte omdat de verwerking ervan doorgaans veel hogere kosten veroorzaken dan “normaal” bilgewater. In het voorkomende geval wordt het vervuilde bilgewater aangemerkt als niet-oliehoudend KGA en kan het tegen betaling worden afgegeven.

 

Deze voorzieningen moeten natuurlijk ook gefinancierd worden. En wel op grond van het principe “de vervuiler betaalt”. De vervuiler, of liever, de potentiële vervuiler, is hier de scheepvaart. Omdat deze categorie afval bij alle schepen ontstaat en zowel de scheepvaart als het milieu gediend zijn met een goed functionerende inzameling en gemakkelijk toegankelijke voorzieningen, worden de kosten ervan ten laste gebracht van de scheepvaart. Ieder schip betaalt vanaf 1 januari 2011 een verwijderingsbijdrage van 7,50 euro per 1000 liter gebunkerde (accijnsvrije) gasolie. Deze bijdrage is in alle landen aan het Verdrag deelnemende en voor alle schepen, gelijk. De betaling geeft recht op “gratis” afgifte.

 

WAT IS HET SPE-CDNI?

 

Het SPE-CDNI is een softwareoplossing in de vorm van een elektronisch betaalsysteem dat ertoe dient om het op 1 januari 2011 in werking getreden Deel A van het Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (CDNI) te ondersteunen. Het SPE-CDNI vindt toepassing in zes landen (België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Zwitserland). De bepalingen van het Verdrag dekken de volledige binnenvaartvloot in het toepassingsgebied van het CDNI: circa 16.000 schepen, 70% van de Europese vloot en een totaal van 500.000 transacties per jaar.

 

Brochure over het SPE-CDNI:   pdf_fr pdf_de pdf_nl pdf_en

 

teil_a_3teil_a_1

U bent hier