FAQ – Goederenlijst / Losverklaring

Noodzaak van een losverklaring voor stukgoed

Probleemstelling:

Artikel 6.03, lid 7, zin 1, onderdeel b, van het CDNI bepaalt dat geen losverklaring nodig is voor schepen die, gezien hun type en bouwwijze, geschikt zijn en gebruikt worden voor het vervoer van verrijdbare lading (Ro-Ro), stukgoed, bijzonder- of zwaar transport, of grote apparaten. Deze interpretatie betreft in eerste instantie elk motorvrachtschip met een open laadruim. Maar wat is dan de definitie van stukgoed? Als voorbeeld wordt verwezen naar rollen (coils) breedbandstaal, die zeker stukgoed vormen en alleen door afslijting eventueel ladingrestanten kunnen veroorzaken. In het aanhangsel worden echter goederennummers (5222 of 5223) gegeven.

 

Wanneer is een losverklaring nodig voor stukgoed waarvoor ook een goederennummer bestaat?

 

Maatgevend voor dit geval zijn de verdere aanduidingen in artikel 6.03, lid 7, zin 1, zinsdeel na onderdeel g, en zin 2:

“… en voor zover het betreffende schip de genoemde goederen of ladingen ook daadwerkelijk uitsluitend vervoert of als laatste lading heeft vervoerd. Deze bepaling vindt geen toepassing wanneer het schip meerdere soorten lading tegelijkertijd vervoert.”

Een losverklaring is dan ook niet nodig voor zover een schip uitsluitend de genoemde goederen vervoert en als laatste lading heeft vervoerd.

 

Worden deze goederen echter alleen heen en later opnieuw vervoerd, is een losverklaring nodig.

 

In dit geval gelden voor stukgoed de bepalingen van onderdeel c van de inleidende opmerking van Aanhangsel III (nummer 8, onderdeel d, van Aanhangsel III in de versie 2017) of – voor zover een specifiek goederennummer bestaat (bijvoorbeeld 5222 of 5223) de overeenkomstige vermeldingen van Aanhangsel III voor dit goederennummer met betrekking tot de losstandaard en de verwijdering.

 

Verantwoordelijkheid voor de vaststelling van het ladinggoednummer

Probleemstelling:

Wanneer de schipper na het laden bij een overslaginstallatie afvaart, wordt het viercijferige ladinggoednummer volgens aanhangsel III vaak niet in de vrachtpapieren vermeld of wordt dit nummer niet ter beschikking gesteld door de verlader. Het is niet duidelijk wie het ladinggoednummer moet vaststellen.

 

Wie is verantwoordelijk voor de bepaling van het ladinggoednummer?

 

Artikel 7.09 van het CDNI-verdrag stelt dat de verlader het ladinggoednummer in de vervoersovereenkomst en in de vervoersdocumenten vermeldt.

 

Toepassing van Bijlage 2, artikel 6.01, vierde lid - Omgang met meststoffen met goederennummers 723, 724 en 729

Wat is de procedure inzake de afgifte van meststoffen met goederennummers 723, 724 en 729 van de stoffenlijst volgens Bijlage 2, Aanhangsel III, van het CDNI aan een landbouwbedrijf voor de verspreiding op het land?

 

De afgifte van de goederennummers 723, 724 en 729 van de stoffenlijst in Bijlage 2, Aanhangsel III, van het CDNI aan een landbouwbedrijf met het oog op de verspreiding van deze stoffen op het land, kan worden toegelaten onder de voorwaarde dat het ontvangende landbouwbedrijf de inname van meststoffen

  1. met goederennummer 7241, in de losverklaring onder de rubriek ontvangstinrichting opgeeft,
  2. met goederennummers 7242, 7243 en 7290, in een gescheiden verklaring vermeldt met de aantekening dat de desbetreffende messtof niet in de vaarweg wordt geloosd,

en dat de bedoelde messtoffen krachtens de nationale voorschriften voor verspreiding zijn toegelaten.

 

Motivering :

  1. Meststoffen met goederennummer 723 mogen in de vaarweg worden geloosd en hoeven om deze reden niet aan nadere bepalingen te voldoen.
  2. Meststoffen met goederennummer 7241 moeten een bijzondere behandeling krijgen. Deze bijzondere behandeling kan ook de verspreiding op het land zijn. De inname van waswater bestemd voor een verspreiding op het land zou in de losverklaring onder de rubriek ontvangstinrichting moeten worden vermeld, aangezien het landbouwbedrijf in dit opzicht een vergelijkbare functie heeft met die van elke andere ontvangstinrichting voor waswater. Om deze reden kan ook het bewijs van een gepaste verwijdering in de zin van het CDNI worden geleverd.
  3. Meststoffen met goederennummers 7242, 7243 en 7290 mogen in het riool worden geloosd. In dit kader zou echter verzekerd moeten worden dat door het landbouwbedrijf geen lozing in de vaarweg zal plaatsvinden. Dit kan worden veiliggesteld met een overeenkomstige verklaring, waarin tevens de inname wordt bevestigd. De verspreiding op het land is in dit opzicht ongetwijfeld een oplossing die met een lozing in het riool vergelijkbaar is.
  4. De recycling in de bodem mag alleen plaatsvinden wanneer dit volgens de nationale voorschriften (die eventueel gebaseerd zijn op internationale voorschriften) is toegestaan. Dit komt overeen met de toelatingsvoorwaarden voor de ontvangstinrichting.


Aanhangsel III, losstandaarden - Mogelijkheid voor de ladingontvanger / de overslaginstallatie om op eigen initiatief een hogere losstandaard toe te passen

In de drogeladingvaart bestaan drie losstandaarden: bezemschoon, vacuümschoon en wasschoon. Het CDNI doet geen uitspraak over de mogelijkheid om als ladingontvanger / overslaginstallatie op eigen initiatief een hogere losstandaard toe te passen na het lossen van het schip. Sommige bedrijven wensen om financiële redenen van de standaard vacuümschoon af te zien en liever gelijk te wassen.

  1. Is het toegestaan om een hogere losstandaard toe te passen?
  2. Is het toegestaan om bij het reinigen een losstandaard over te slaan, door bijvoorbeeld na het vegen onmiddellijk te wassen?

Het doel van het CDNI is om zo weinig mogelijk afval te moeten verwijderen. Onmiddellijk wassen na het vegen (bezemschoon) zou tot een hogere concentratie aan afval in het waswater leiden. Hierdoor zou de ladingontvanger / de overslaginstallatie eventueel hogere kosten moeten dragen. De hoeveelheid waswater zou echter vergelijkbaar zijn. Om deze reden is niets in te brengen tegen deze handelswijze. Een hogere losstandaard komt in de regel tegemoet aan de doelstelling van een schoon milieu, maar kan leiden tot hogere kosten voor de ladingontvanger / de overslaginstallatie. Voor zover de ladingontvanger / de overslaginstallatie deze kosten voor rekening neemt, is hier echter niets op tegen.


Afgiftemogelijkheid - lozen op het riool (Aanhangsel III, tabel, kolom 4)

Volgens kolom 4 van de tabel in aanhangsel III van bijlage 2 (“losstandaarden”) mogen bepaalde stoffen in het riool worden geloosd. Deze vastlegging blijkt echter niet eenduidig genoeg te zijn.

Wordt hiermee bedoeld dat de producten

a) in een willekeurig riool geloosd mogen worden, of

b) moet het riool zich bij de overslaginstallatie bevinden, dat wil zeggen op een plaats die door de ladingontvanger of de verlader (de overslaginstallatie) aan de schipper is opgegeven? Moet hierbij vooraf worden nagegaan dat de betrokken zuiveringsinstallatie voor de geloosde stof is toegelaten en/of ingericht?

 

Achtergrond:

Het riool mondt in talrijke situaties uit in een zuiveringsinstallatie. Zuiveringsinstallaties worden in de regel toegelaten volgens de nationale voorschriften. Deze voorschriften kunnen eventueel van de standaarden van het CDNI afwijken of beperkingen voor de aangeboden hoeveelheden opleggen.

 

De mogelijke lozing in het riool krachtens kolom 4 van de tabel van de losstandaarden in aanhangsel III van bijlage 2 van het CDNI houdt in dat de persoon of de instantie die voor de naleving van de losstandaarden verantwoordelijk is (ladingontvanger, verlader, overslaginstallatie) vooraf controleert of de rioolaansluiting in voorkomend geval krachtens de nationale bepalingen is toegelaten voor de lozing van het product met betrekking tot de eigenschappen en/of de hoeveelheid hiervan, aangezien zuiveringsinstallaties bijvoorbeeld aan bepaalde beperkingen onderworpen kunnen zijn.

Aanwijzing: het moet echter in herinnering worden gebracht dat de Verdragsluitende Staten overeenkomstig artikel 4 de verplichting hebben om een adequaat net van ontvangstinrichtingen in te richten of te laten inrichten. Dit betekent dat de tot inname verplichte persoon of instantie ook over de mogelijkheid moet beschikken om het waswater zelf of bij een ontvangstinrichting in het riool te (laten) lozen.


Aanhangsel IV van bijlage 2, losverklaring: vermelding onder nummer 9 wanneer niet gewassen moet worden (bijvoorbeeld koolzaad, goederennummer 1811)

Achtergrond:

Volgens aanhangsel III valt koolzaad met goederennummer 1811 onder de reinigingsstandaard A en mag het waswater in het water worden geloosd voor zover wordt gewassen.

Volgens artikel 7.04, lid 2, onderdeel a, is de ladingontvanger/exploitant van de overslaginstallatie echter niet verplicht het schip te wassen wanneer het ongewassen ter beschikking werd gesteld.

Onder nummer 9 van de losverklaring lijkt echter een overeenkomstige vermelding te worden vereist. Dit heeft geen zin.

 

Moet de ladingontvanger/overslaginstallatie met betrekking tot goederen die volgens aanhangsel III onder reinigingsstandaard A vallen, maar waarvan het waswater in het water kan worden geloosd, tot een vermelding onder nummer 9 van de losverklaring overgaan?

 

In deze context is artikel 7.04, lid 2, doorslaggevend. Voor zover bij de terbeschikkingstelling van het schip niet schriftelijk is overeengekomen dat het schip in gewassen toestand wordt opgeleverd, is de ladingontvanger/exploitant van de overslaginstallatie niet verplicht het schip te wassen. In zoverre moet nummer 9 van de losverklaring niet door hem worden ingevuld.

Voor de vervoerder is dit ook geen probleem. Wanneer hij zijn schip wil wassen, kan hij het waswater zonder meer in het water lozen.

Losverklaring en reinigingsmiddelen

Achtergrond:

Voor de reiniging van ladingtanks wegens een productwisseling (bijvoorbeeld eerst diesel, daarna zuur) worden speciale reinigingsmiddelen gebruikt en wordt niet gewassen met water.

Wanneer bij een reiniging geen “water” wordt gebruikt, kan de losverklaring strikt genomen niet correct ingevuld worden, aangezien in dit kader expliciet de term “waswater” wordt gebruikt.

Ook deze reinigingsvloeistoffen die niet op waterbasis zijn moeten echter wel ergens worden verwijderd (vooral omdat deze middelen in de regel nog agressiever voor het milieu kunnen zijn dan reinigingsmiddelen op waterbasis). In dit geval zou eigenlijk a fortiori een verklaring van verwijdering zinvol zijn voor reinigingsmiddelen die niet op waterbasis zijn.

 

1-Hoe moet een dergelijk reinigingsmiddel worden verwijderd?

2-Wat moet in de losverklaring worden vermeld?

Volgens aanhangsel III van bijlage 2 (losstandaarden) moeten reinigingsmiddelen die zijn toegevoegd aan het water gescheiden behandeld worden en mogen deze middelen niet in het water worden geloosd (zie onder punt 8 van de aanwijzingen voor de toepassing van de tabel). Dit geldt tevens voor de pure reinigingsmiddelen.

U bent hier